Home

Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek

Geldig van 1 januari 2010 tot 1 juni 2013
Geldig van 1 januari 2010 tot 1 juni 2013

Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek

Besluit 2009A018

Versies van huidig besluit

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2010 tot 01-06-2013]
[Regeling ingetrokken per 01-06-2013]

Samenvatting

De Wet deskundige in strafzaken1 beoogt de positie van de deskundige in het strafproces te versterken.

Met de inwerkingtreding van deze wet vervalt de vaste gerechtelijke deskundige. In plaats daarvan komt de geregistreerde deskundige. Dit is de deskundige die geregistreerd is in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen2 (hierna te noemen: NRGD). De (hulp)officier van justitie is alleen bevoegd om deskundigen te benoemen die geregistreerd zijn in dat register. Voor het benoemen van niet in dat register opgenomen deskundigen, moet een vordering worden ingediend bij de rechter-commissaris.

Ook wordt in de wet de positie van de verdediging versterkt: de verdachte c.q. diens raadsman krijgt uitdrukkelijk het recht om te verzoeken om tegenonderzoek. De wet bepaalt verder dat – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – de (raadsman van de) verdachte door de (hulp)officier van justitie geïnformeerd wordt over het verlenen van een opdracht tot deskundigenonderzoek. Dit om hem in staat te stellen om de omvang en richting van dat onderzoek te beïnvloeden. Gezien deze informatieverplichting is in deze aanwijzing nader gepreciseerd wanneer sprake is van deskundigenonderzoek in de zin van deze wet en wanneer dat niet het geval is. Als dat niet het geval is, geldt geen verplichting om de (raadsman van de) verdachte op de hoogte te stellen. Niettemin kan ook zonder verplichting in sommige gevallen aanleiding bestaan de (raadsman van de) verdachte te betrekken bij het formuleren van de onderzoeksvragen en de keuze van de te benoemen deskundige. Als er voor onderzoeken specifieke op de wet gebaseerde uitvoeringsregelingen bestaan (zoals DNA-onderzoek en alcoholonderzoek – zie hierna onder lex specialis), moeten die worden toegepast.

Om in de praktijk ervaring op te bouwen met genoemde informatieverplichting is er in de aanwijzing voor gekozen de bevoegdheid om geregistreerde deskundigen in de zin van artikel 150 Wetboek van Strafvordering (Sv) te benoemen, voor te behouden aan de officier van justitie. Van de afgeleide bevoegdheid die artikel 150 lid 2 Sv creëert voor de hulpofficier wordt met andere woorden (voorlopig) geen gebruik gemaakt.

Lex specialis

Een punt van aandacht, voordat op de achtergrond en de gevolgen van de wet wordt ingegaan, is het volgende. Voor DNA-onderzoek en bloedonderzoek bij rijden onder invloed bestaan specifieke, op de wet gebaseerde uitvoeringsregelingen. Deze gelden als lex specialis ten opzichte van de regeling uit de Wet deskundige in strafzaken en blijven onverkort van toepassing.

Inleidende opmerkingen

Voor een goed begrip van de (gevolgen van de) wet is het van belang goed voor ogen te hebben dat de wetgever (niet zozeer in de wet zelf als wel in de totstandkominggeschiedenis ervan) verschillende vormen van onderzoek onderscheidt.3

Allereerst wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds onderzoek dat tot het domein van de opsporingsinstanties behoort (verder: technisch opsporingsonderzoek) en anderzijds deskundigenonderzoek. Dit onderscheid is bepalend voor het antwoord op de vraag of de (raadsman van de) verdachte al dan niet in kennis moet worden gesteld van de onderzoeksopdracht (art. 150a lid 1 Sv). Bij technisch opsporingsonderzoek hoeft dit niet, bij deskundigenonderzoek wel.

Er zijn voorts twee vormen van deskundigenonderzoek, te weten technisch deskundigenonderzoek en overig deskundigenonderzoek. Dit onderscheid is relevant voor het antwoord op de vraag of ook de hulpofficier van justitie bevoegd is de opdracht te verlenen. Aangezien in deze aanwijzing de bevoegdheid tot het benoemen van deskundigen wordt voorbehouden aan de officier van justitie, wordt dit punt hier niet verder uitgewerkt. Voor de officier van justitie geldt dat hij uitsluitend in het NRGD geregistreerde deskundigen mag benoemen. Het benoemen van niet-geregistreerde deskundigen is derhalve voorbehouden aan de rechter-commissaris.

Achtergrond

De Wet deskundige in strafzaken treedt met het Besluit houdende kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken op 1 januari 2010 in werking. Met de wet en het besluit wordt beoogd de positie van de deskundige in strafzaken te versterken en meer waarborgen te bieden voor de kwaliteit van de rapportages van forensisch deskundigen. Bij het opstellen van de regelingis onderkend dat de positie van het OM bij het verlenen van de opdracht tot deskundigenonderzoek ten opzichte van de politie versterking behoeft. Vooral in grote onderzoeken is het van belang dat het OM zich in de vroege fase van het opsporingsonderzoek rekenschap geeft van de vraag welke onderzoeken met welke opdracht in gang moeten worden gezet. De wet dwingt nu meer dan in het verleden tot het formuleren van precieze, concrete vraagstellingen. De wet bevordert voorts een betere communicatie tussen de opdrachtgever en de rapporterende deskundige. Specificatie van de vraagstelling kan plaatsvinden in onderling overleg en kan worden toegesneden op de concrete casus. Waar nodig wordt afstand genomen van gefixeerde vraagstellingen die niet aan een concrete casus zijn gebonden.

De wet beoogt daarnaast een versterking van de positie van de verdediging: aan de (raadsman van de) verdachte wordt een uitdrukkelijk recht toegekend om te verzoeken om een tegenonderzoek.

De wetgever beoogt de (raadsman van de) verdachte zo vroeg mogelijk bij een opdracht tot deskundigenonderzoek te betrekken. Daarom wordt hij – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – geïnformeerd over de opdracht aan de deskundige teneinde hem in staat te stellen om aanvullend onderzoek te vragen of invloed uit te oefenen op de formulering van de onderzoeksopdracht. Op die manier is op de terechtzitting direct een rapportage aanwezig die antwoord geeft op de voor het OM en de (raadsman van de) verdachte relevante onderzoeksvragen en zal er minder discussie ontstaan over (de uitkomsten van) het onderzoek. Uit de wet vloeit overigens geen algemeen en ongeclausuleerd recht op het uitvoeren van (opsporings)onderzoek voor de verdediging voort. Het is niet de bedoeling onderzoekshandelingen die door een opsporingsinstantie zijn verricht en gerelateerd in een proces-verbaal zonder meer te repliceren. Wél is dergelijk onderzoek vatbaar voor tegenonderzoek. Het is immers goed denkbaar dat de verdediging er veel belang bij kan hebben de uitkomst van zo’n onderzoek te betwisten. Een dergelijk tegenonderzoek is in de regel een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv. Een opdracht tot deskundigenonderzoek (tegenonderzoek daaronder begrepen) moet in het belang van het onderzoek zijn. Dit belang wordt getoetst door de officier van justitie of de rechter-commissaris.

Aangezien de informatieverplichting van artikel 150a lid 1 Sv alleen geldt bij een opdracht tot deskundigenonderzoek is het van belang te omschrijven wat als zodanig wordt aangemerkt en welk onderzoek tot het domein van de opsporingsinstanties behoort en dus technisch opsporingsonderzoek is. De minister van Justitie heeft daarom het College van procureurs-generaal gevraagd een aanwijzing op te stellen om te verduidelijken wat doorgaans als technisch opsporingsonderzoek wordt aangemerkt.4

Scheidslijn technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek

Ad a: de fase van het opsporingsonderzoek

Ad b: het onderzoeksgebied

Geen deskundigenonderzoek in de zin van de Wet deskundige in strafzaken

Wél deskundigenonderzoek in de zin van de Wet deskundige in strafzaken

Kennisgeving aan de raadsman van de opdracht tot deskundigenonderzoek

Tegenonderzoek

Hoger Beroep

Bijlage