Home

Rechtbank Amsterdam, 19-02-2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:834, C/13/531910 / HA ZA 12-1488

Rechtbank Amsterdam, 19-02-2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:834, C/13/531910 / HA ZA 12-1488

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19 februari 2014
Datum publicatie
25 februari 2014
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2014:834
Formele relaties
Zaaknummer
C/13/531910 / HA ZA 12-1488

Inhoudsindicatie

De vordering van eiser jegens gedaagde (strekkende tot vergoeding van gestelde schade) wordt afgewezen. Het uitbrengen van de dagvaarding door gedaagde jegens eiser in 2004 levert in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatige daad van gedaagde jegens eiser op, noch misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Voorts oordeelt de rechtbank dat de bekostiging door de Staat van de proceskosten van gedaagde in de procedure tussen gedaagde en eiser in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met artikel 6 EVRM (fair trial en equality of arms).

De reconventionele vordering tot opheffing van het door eiser op de woning van gedaagde gelegde conservatoir beslag, wordt toegewezen. Niet wordt toegewezen het door gedaagde in reconventie gevorderde verbod tot het leggen van toekomstige beslagen.

Uitspraak

vonnis

nevenzittingsplaats rechtbank Amsterdam

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/531910 / HA ZA 12-1488

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in het incident,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. K. Aantjes te Rijswijk (ZH),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in het incident,

eiser in reconventie,

advocaat mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen te ’s Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 29 oktober 2012 met producties;

-

de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie en vordering ex artikel 233 Rv van de zijde van [gedaagde] met producties;

-

het tussenvonnis van 24 juli 2013, waarin de comparitie van partijen is bepaald;

-

het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2013 en de daarin genoemde –voorafgaande aan de zitting ontvangen – gedingstukken, alsmede de overgelegde pleitnota;

-

de brief van mr. Aantjes van 10 december 2013, naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is journalist. Hij heeft een boek geschreven met de titel "[titel boek]" (hierna ook: het boek). Het boek is in 2004 uitgegeven door [uitgever].

2.2.

Het boek bevat een weergave van gesprekken van [eiser] met negen advocaten, onder wie [naam 1]. [naam 1] was als advocaat betrokken bij procedures over de zogenaamde [de zaak] in verband met grond bij de luchthaven Schiphol. In het boek doet mr. Smit daarvan verslag. Het betreffende hoofdstuk eindigt met de volgende alinea:

“Tenslotte: hoe is het mogelijk dat zowel Rechtbank, Hof als Hoge Raad het ongekend onrechtmatig handelen van [naam 2] ongemoeid hebben gelaten en de schadeclaim hebben afgewezen ? Had [naam 1] hier niet meer uit moeten of kunnen halen? Hij zoekt naar een verklaring: "Het lijkt wel of onze rechterlijke macht mentaal niet is toegerust om te oordelen over dit soort financiële megabelangen. Bij rechter heerst een enorme vrees voor 'Amerikaanse toestanden'. Op zichzelf is dat best een goede grondhouding; zelf ben ik ook geen voorstander van extreem hoge schadevergoedingen. Maar soms, zoals in het geval van [de zaak], een bedrijf dat nota bene bewust bijna kapot is gemaakt door de eigen accountant kan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En dat moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoering met advocaten gaan bellen over de zaak. In de [de zaak] is dat ook gebeurd met [gedaagde] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel".”

2.3.

[gedaagde] was [functie] van de rechtbank Den Haag. Hij heeft onder meer op [datum] een pleidooi in een tweetal procedures in verband met de [de zaak] voorgezeten.

2.4.

In april 2004 is [gedaagde] een gerechtelijke procedure tegen [naam 1], [eiser] en [uitgever] begonnen, waarin [gedaagde] onder meer schadevergoeding van [eiser] heeft gevorderd op grond van aantijgingen jegens hem in het boek. [eiser] heeft in die procedure (met [uitgever]) een reconventionele vordering ingesteld inhoudende dat voor recht wordt verklaard dat de publicatie en uitgave van het boek met de citaten daarin van [naam 1] niet onrechtmatig jegens [gedaagde] zijn.

2.5.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 zijn de conventionele vorderingen van [gedaagde] jegens [eiser] afgewezen en is de door [eiser] (en [uitgever]) in reconventie gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de uitlating van [naam 1] tegenover [gedaagde] onrechtmatig was en dat deze niet werd gerechtvaardigd door een voldoende feitelijke basis, oordeelt de rechtbank in dat vonnis - alle van belang zijnde omstandigheden tegen elkaar afwegend - dat de geciteerde uitlating van [naam 1] niet van dien aard was dat deze niet aldus - als weergave van een interview - door [eiser] en [uitgever] had mogen worden gepubliceerd, zonder onderzoek naar de juistheid van de beweringen en zonder vermelding van het standpunt van [gedaagde]. Dit geldt ook, aldus de rechtbank in de betreffende uitspraak, indien mocht blijken dat [naam 1] door het doen van de uitlating jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld wegens het ontbreken van een voldoende feitelijk juiste basis.

2.6.

[gedaagde] is in hoger beroep gegaan tegen voornoemd vonnis bij het gerechtshof Den Haag.

2.7.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 juni 2009 het vonnis van de rechtbank Rotterdam, voor zover het de door [gedaagde] jegens [eiser] ingestelde conventionele vordering betreft, bekrachtigd. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen, dat in het licht van de door het gerechtshof van belang geachte omstandigheden en gelet op de door het gerechtshof gehanteerde uitgangspunten niet gezegd kan worden, dat het [eiser] duidelijk had moeten zijn dat - zoals [gedaagde] stelt maar niet vaststaat - de gewraakte passage onwaarheid bevatte en/of dat [eiser] het citaat anderszins lichtvaardig heeft opgenomen en daardoor [gedaagde] onrechtmatig heeft blootgesteld aan de suggestie dat hij niet onpartijdig of onafhankelijk was. Dat [eiser] de inhoud van de bewering van [naam 1] niet bij [gedaagde] heeft gecontroleerd, doet hieraan volgens het gerechtshof niet af, omdat het om interviews ging en van [eiser] niet kon worden verlangd dat hij elk onderdeel van hetgeen hem in de interviews werd verteld (in detail) zou controleren. Voorts overweegt het gerechtshof dat het aannemen van onrechtmatigheid hier ook niet verenigbaar is met de rol van journalisten om informatie te verschaffen over actuele gebeurtenissen, meningen en ideeën.

Voor wat betreft de reconventionele vordering van [eiser] (en [uitgever] ) heeft het gerechtshof overwogen dat de voornoemde - negatieve - conclusies op zichzelf en zonder nadere toelichting die ontbreekt niet meebrengen dat tevens de omgekeerde - positieve - conclusies gerechtvaardigd zijn, laat staan dat daarmee ook “aan de ongeschreven normen die gelden voor de werkwijze van een journalist” zou zijn voldaan. Dit leidt ertoe, aldus het gerechtshof anders dan de rechtbank, dat de door [eiser] (en [uitgever]) in reconventie gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is.

2.8.

[gedaagde] is door zowel de rechtbank als het gerechtshof in conventie in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. De proceskosten, begroot op basis van het wettelijk liquidatietarief, zijn aan [eiser] betaald.

2.9.

In de procedure tussen [gedaagde] en [naam 1] heeft de rechtbank Rotterdam de door [gedaagde] tegen [naam 1] ingestelde vorderingen toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat - kort gezegd - de uitlating van [naam 1] in het boek van [eiser] onrechtmatig is jegens [gedaagde], met veroordeling van [naam 1] tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagde] nader op te maken bij staat. De rechtbank overweegt hiertoe, nadat [naam 1] van de hem geboden gelegenheid tot het leveren van bewijs gebruik heeft gemaakt, dat [naam 1] er niet in geslaagd is aan te tonen dat zijn bewering dat [gedaagde] als rechter in de [de zaak] een voorbeeld is van rechters die bij grote claims nerveus worden, en die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak, op voldoende feitelijk juiste gronden berust.

[naam 1] heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het gerechtshof heeft bij arrest van eveneens 23 juni 2009 - kort gezegd en voor zover hier van belang - geoordeeld dat, behoudens (nader) te leveren tegenbewijs, bewezen wordt geacht dat [gedaagde] voorafgaand aan de pleidooien op [datum] een telefoongesprek heeft gevoerd met [naam 1]. [gedaagde] is vervolgens door het gerechtshof in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Daarop zijn partijen met elkaar in overleg getreden. De procedure bij het gerechtshof tussen [gedaagde] en [naam 1] is vervolgens op verzoek van beide partijen op 18 augustus 2009 geroyeerd.

2.10.

In de voornoemde procedures bij de rechtbank en het gerechtshof werd [gedaagde] bijgestaan door [naam 3], toentertijd advocaat bij [kantoor]. De kosten van [gedaagde] voor het voeren van de betreffende procedures zijn betaald door de Raad voor de Rechtspraak.

2.11.

Bij brief van 23 april 2012 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] geschreven - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - dat met de voornoemde uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof is komen vast te staan dat de gewraakte passages in het boek zonder meer op waarheid berusten en dat [gedaagde] tegen beter weten - immers gebaseerd op een feitelijk vaststaande onwaarheid - een procedure tegen [eiser] is begonnen, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan (onder andere) misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW). Voor de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden, bestaande uit gemaakte proceskosten, inkomens- en reputatieschade, stelt de advocaat van [eiser] [gedaagde] in de betreffende brief aansprakelijk.

2.12.

De (voormalig) advocaat van [eiser] heeft tevens de Raad voor de Rechtspraak aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiser].

2.13.

De gestelde aansprakelijkheid en schadeplichtigheid zijn door [gedaagde] (alsmede door de Raad voor de Rechtspraak) van de hand gewezen.

2.14.

Daarop heeft [eiser] [gedaagde] in de onderhavige procedure (en de Raad voor de Rechtspraak en de Staat der Nederlanden in een afzonderlijke procedure) in rechte betrokken.

2.15.

Op 17 december 2012 heeft [eiser] in verband met de in deze procedure voorliggende vordering conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] om aan hem te vergoeden alle door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens te wet, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat - opheffing van het door [eiser] gelegde conservatoir beslag op de woning van [gedaagde], althans [eiser] te gebieden dit beslag te doen opheffen op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, alsmede een verbod op het leggen van verdere beslagen ten laste van [gedaagde] in verband met de beweerdelijk door hem geleden schade als gevolg van procedures die tussen [gedaagde] en [eiser] zijn gevoerd, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding. Tevens wordt een proceskostenveroordeling gevorderd.

3.5.

[eiser] voert verweer.

in reconventie

3.6.

[gedaagde] vordert samengevat - opheffing van het door [eiser] gelegde conservatoir beslag op de woning van [gedaagde], alsmede een verbod op het leggen van verdere beslagen ten laste van [gedaagde] in verband met de beweerdelijk door hem geleden schade als gevolg van procedures die tussen [gedaagde] en [eiser] zijn gevoerd, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding. Tevens wordt een proceskostenveroordeling gevorderd.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing