Rechtbank Midden-Nederland, 12-02-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:592, 11929559 / UE VERZ 25-314 BW 31650
Rechtbank Midden-Nederland, 12-02-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:592, 11929559 / UE VERZ 25-314 BW 31650
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 27 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:592
- Zaaknummer
- 11929559 / UE VERZ 25-314 BW 31650
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming meeroosteren, redelijkheidstoets, het belang van RWS en de wens van (88% van) het team weegt zwaarder dan de zorgen van de OR over de capaciteit. Artikel 27 lid 4 WOR
Uitspraak
beschikking
Civiel rechtkantonrechter
locatie Utrecht
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 11929559 / UE VERZ 25-314 BW 31650 van
de publiekrechtelijke rechtspersoonDE STAAT DER NEDERLANDEN, RIJKSWATERSTAAT VERKEER- EN WATERMANAGEMENT, ONDERDEEL VAN HET MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,gevestigd in Utrecht,verzoekster, hierna ook te noemen: Rijkswaterstaat VWM,gemachtigden: mr. C.S.M. Allegra en mr. J.M. Bruinewoud.
en
ONDERNEMINGSRAAD VAN RIJKSWATERSTAAT VERKEER- EN WATERMANAGEMENT,gevestigd in Utrecht,verweerder, hierna ook te noemen: de Ondernemingsraad,gemachtigden: mr. D. Schwartz en mr. J. de Waardt.
1 De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
-het verzoekschrift met 20 producties (ontvangen op 17 oktober 2025),
-het verweerschrift met 4 producties (van 11 december 2025),
-de aanvullende producties 21-24,
-het bezwaar van de Ondernemingsraad tegen de aanvullende producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025 op de locatie van deze rechtbank in Utrecht. Tijdens de mondelinge behandeling is deze zaak gezamenlijk behandeld met een verzoekschrift tussen dezelfde partijen, voor team [gemeente] . Namens Rijkswaterstaat VWM zijn mevrouw ir. [A] ( [functie 1] ), mevrouw [B] ( [functie 2] ) en de heer [C] ( [functie 3] ) verschenen, bijgestaan door mr. Allegra en mr. Bruinewoud. Namens de Ondernemingsraad zijn de heren [D] ( [functie 4] ), [E] ( [functie 5] ) en [F] ( [functie 6] ) verschenen, bijgestaan door mr. Schwartz en mr. De Waard.
Namens Rijkswaterstaat VWM hebben de gemachtigden de standpunten van Rijkswaterstaat VWM nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen.
Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling verzocht om een aanhouding van drie weken om te proberen met elkaar tot een regeling te komen. Op 7 januari 2026 hebben partijen laten weten dat dit niet gelukt is en hebben zij verzocht om beschikking te wijzen. In de verzoekschriftprocedure voor team [gemeente] hebben partijen wel overeenstemming bereikt.
Hierna is uitspraak bepaald.
2 De kern van de zaak
Binnen het team Wegverkeersleiders van [plaats] (hierna: team [plaats] ) dat onderdeel is van Rijkwaterstaat VWM worden de werknemers ingeroosterd aan de hand van het normroosteren. Rijkswaterstaat VWM heeft de Ondernemingsraad in juni 2025 om instemming gevraagd om over te kunnen stappen op het meeroosteren voor team [plaats] . De Ondernemingsraad heeft die instemming in augustus 2025 geweigerd. Volgens Rijkswaterstaat VWM ten onrechte.
In deze procedure vraagt Rijkswaterstaat VWM de kantonrechter daarom om vervangende toestemming om het meeroosteren binnen team [plaats] door te voeren. De kantonrechter zal de vervangende toestemming verlenen.
De achtergrond van deze zaak
Rijkswaterstaat VWM is het uitvoerende agentschap van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in Nederland. Rijkswaterstaat VWM is één van de organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat. Binnen dat onderdeel zijn ruim 2000 werknemers werkzaam. Binnen de kaders van de toepasselijke CAO Rijk zijn decentrale afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het Personeelsreglement ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: Personeelsreglement). Uit het Personeelsreglement blijkt dat de Leidraad Roosterdiensten (hierna: Leidraad) van toepassing is voor werknemers binnen Rijkswaterstaat VWM die in roosterdienst werkzaam zijn. De Leidraad is dus van toepassing op team [plaats] . In de Leidraad worden twee vormen van roosteren genoemd: normroosteren en meeroosteren.Binnen team [plaats] wordt sinds jaar en dag geroosterd volgens het normroosteren.
Wat is normroosteren?
Het normroostersysteem start met het opstellen van een jaarlijks normrooster. Dat normrooster vormt de basis voor het maandelijks vastgestelde rooster. Om daartoe te komen worden een aantal stappen gezet.
Allereerst wordt de behoefte qua dienstverlening via de verschillende opdrachtgevers inzichtelijk gemaakt. Vervolgens wordt bepaald hoeveel diensten met daarbij behorende tijdstippen en kwalificaties per werkplek worden gevraagd. Daarna wordt vastgesteld welke beschikbare capaciteit/kwaliteit er is. Vervolgens wordt het verschil tussen de behoefte vanuit de opdrachtgevers en de beschikbare capaciteit/kwaliteiten inzichtelijk gemaakt en wordt bekeken hoe een eventueel verschil daarin kan worden overbrugd (door middel van beheersmaatregelen). Daarna worden de voorkeurinstellingen van het team geïnventariseerd met betrekking tot de planregels. Als deze stappen zijn doorlopen, wordt het normrooster opgesteld. Pas bij het opstellen van de maandroosters wordt rekening gehouden met de bijzonderheden en wensen van de individuele werknemers.
Wat is meeroosteren?
Bij het meeroosteren komt het maandelijkse rooster in overleg met de werknemers in drie rondes tot stand. In de eerste ronde mogen de werknemers hun wensen en voorkeuren opgeven voor een periode van drie maanden. In de tweede ronde maakt het team met elkaar het rooster kloppend door eventuele gaten in het rooster in te vullen. In de derde ronde maakt de teamleider het rooster sluitend als dat nodig is, waarbij de planner de teamleider adviseert.
3 De beoordeling
Allereerst heeft de Ondernemingsraad naar voren gebracht dat het verzoek van Rijkswaterstaat VWM tot vervangende instemming prematuur is. Volgens de Ondernemingsraad had Rijkswaterstaat VWM eerst de discussie over de capaciteit moeten voorleggen aan de rijksbrede paritaire commissie. Maar zoals ook Rijkswaterstaat VWM heeft opgemerkt volgt dit niet uit de Leidraad.
Uit de Leidraad blijkt namelijk dat de Ondernemingsraad of de werkgever een oordeel van de paritaire commissie kan vragen als zij het niet eens zijn over de vraag of er een capaciteitsprobleem is. Het is dus geen verplichting, maar het is een mogelijkheid. Rijkswaterstaat VWM is daarom ontvankelijk in haar verzoek tot vervangende instemming.
Toetsingskader
Partijen zijn het erover eens dat het voorgenomen besluit om van normroosteren over te gaan op meeroosteren op grond van artikel 27 lid 1 WOR de instemming van de ondernemingsraad vereist. Lid 4 van dit artikel bepaalt dat de kantonrechter slechts toestemming kan geven om het voorgenomen besluit te nemen, wanneer de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te verlenen onredelijk is, of wanneer het voorgenomen besluit van de ondernemer wordt gevergd door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.
Deze maatstaf houdt in dat eerst de over en weer aangevoerde argumenten gewogen moeten worden (de redelijkheidstoets). Het gaat om een afweging van de argumenten die Rijkswaterstaat VWM en de Ondernemingsraad naar voren hebben gebracht. Wanneer de argumenten van de Ondernemingsraad zwaarder wegen, zal het verzoek van Rijkswaterstaat VWM worden afgewezen. Wanneer de argumenten van Rijkswaterstaat VWM zwaarder wegen, betekent dit dat de beslissing van de Ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is. In dat geval zal op die grond vervangende toestemming worden verleend. Als de argumenten even zwaar wegen, zal het verzoek worden afgewezen, tenzij Rijkswaterstaat VWM aan kan tonen dat voornoemde zwaarwegende bedrijfsbelangen noodzaken tot vervangende toestemming.
De toetsing vindt ex tunc plaats. Dat betekent dat de kantonrechter de situatie moet beoordelen ten tijde van de instemmingsaanvraag- en weigering. Nieuwe omstandigheden die zich daarna hebben voorgedaan, worden dus niet in de beoordeling betrokken.
Vereisten voor invoeren meeroosteren
In de Leidraad is bepaald dat voor het invoeren van meeroosteren noodzakelijk is dat de gevraagde dienstverlening en de beschikbare capaciteit in evenwicht is en dat een rekenmodel wordt gebruikt om dit in beeld te brengen. Naast de Leidraad hebben Rijkswaterstaat VWM en de Ondernemingsraad aanvullende afspraken gemaakt (in het document Meeroosteren VWM - Aanvullende afspraken op Leidraad Roosterdiensten, tussen bestuurder en Ondernemingsraad VWM) over de vereisten om een team over te kunnen laten stappen naar meeroosteren, namelijk:
i. voordat een team kan starten met meeroosteren moet de gevraagde dienstverlening aantoonbaar in evenwicht zijn met de beschikbare capaciteit. Dit betekent dat het rekenmodel actueel en kloppend moet zijn; en
ii. tenminste 66% van het team moet willen overstappen naar meeroosteren.
Rijkswaterstaat VWM zegt dat aan deze vereisten is voldaan. Volgens de Ondernemingsraad is niet aan het eerste vereiste voldaan en ook als wel aan beide vereisten zou zijn voldaan, vindt de Ondernemingsraad dat dit niet zonder meer betekent dat hij zou moeten instemmen.
Op jaarbasis is de beschikbare capaciteit in evenwicht met de gevraagde dienstverlening
Om te kunnen beoordelen of de gevraagde dienstverlening in evenwicht is met de beschikbare capaciteit wordt per team een rekenmodel ingevuld voor het komende kalenderjaar. Dat geldt zowel voor het normroosteren als voor het meeroosteren. In april van het lopende kalenderjaar begint het roosterproces voor het volgende kalenderjaar. De teamleider vult in april het rekenmodel in aan de hand van de op dat moment bekende gegevens voor komend jaar. De uitkomsten hiervan worden in mei door het directieteam (DT) vastgesteld. Uit die DT-versie komt de verwachte verhouding tussen de gevraagde dienstverlening en de verwachte beschikbare capaciteit voor het volgende kalenderjaar.
Voor team [plaats] is in mei 2025 een DT-versie voor 2026 vastgesteld en daaruit blijkt dat de jaarcapaciteit + 2.01 FTE bedraagt. Daarmee is volgens Rijkswaterstaat VWM voldaan aan het eerste vereiste.
Het belang van de Ondernemingsraad bij weigering van instemming tot meeroosteren is gelegen in zijn zorgen over de capaciteit binnen team [plaats] . De Ondernemingsraad erkent dat op basis van de DT-rapportage de jaarcapaciteit positief is,
maar benoemt dat een positieve jaarcapaciteit niet zegt dat de capaciteit feitelijk op orde is. In dat kader wijst de Ondernemingsraad erop dat als wordt gekeken naar de maandelijkse capaciteit, de maanden januari tot en met maart 2026 een (forse) ondercapaciteit laten zien binnen team [plaats] . Rijkswaterstaat VWM heeft daar tegenin gebracht dat juist in de maanden januari-maart vrij weinig verlofaanvragen worden gedaan, zodat de onderbezetting eenvoudiger is op te vangen. Dat is door de Ondernemingsraad niet weersproken.
De Ondernemingsraad heeft verder aangevoerd dat als in de toekomst sprake is van onderbezetting dit bij meeroosteren zorgt voor een grotere druk op de werknemers om extra diensten te werken, dan bij normroosteren het geval is. Dit komt omdat bij normroosteren bij onderbezetting steeds kan worden teruggevallen op het onderliggende normrooster. Bij meeroosteren is dat niet het geval en moet de teamleider beslissen over wie de openstaande diensten moet draaien. Rijkswaterstaat VWM heeft uitgelegd dat zij geen grotere problemen ziet bij onderbezetting bij meeroosteren dan bij normroosteren, omdat zij bij beide systemen gebonden is aan de Arbeidstijdenwet (ATW) en de systemen zelf ook maar een beperkte hoeveelheid overuren toestaan. Daarnaast gebeurt het inplannen van overwerk op basis van vrijwilligheid en is inhuur van externen mogelijk. De Ondernemingsraad heeft dit niet betwist, maar nog wel aangevoerd dat beschermende maatregelen bij meeroosteren in andere teams door Rijkswaterstaat VWM onvoldoende worden genomen in de praktijk. Wat daarin precies misgaat en waar dit uit volgt heeft de Ondernemingsraad niet duidelijk kunnen maken tijdens de zitting.
Bij haar weigering tot instemming heeft de Ondernemingsraad als belangrijk punt richting Rijkswaterstaat VWM er ook op gewezen dat een DT-rapportage onvoldoende actueel is om te beoordelen of de capaciteit op orde is. Om een inschatting te kunnen maken van hoe accuraat de voorspelling van de DT-rapportage is zijn ook roosterverslagen en kwartaalrapportages over het lopende jaar (hierna: Q-rapportages) nodig. Of de Ondernemingsraad verstrekking van de Q-rapportages en roosterverslagen mocht verlangen om meer inzicht te hebben in de capaciteit, kan echter in het midden blijven. Zoals de Ondernemingsraad zelf ook aangeeft betreft het een processueel punt en maakt het geen onderdeel uit van de te maken belangenafweging, De Ondernemingsraad heeft namelijk zijn toestemming geweigerd, vanwege zijn zorgen over de (onder)capaciteit binnen team [plaats] in de maanden januari-maart en niet vanwege het ontbreken van Q-rapportages en/of roosterverslagen.
88% van team [plaats] heeft voor meeroosteren gestemd
Rijkswaterstaat VWM heeft als grootste belang voor invoering van meeroosteren naar voren gebracht dat het zowel haar wens als de wens van 88% van het team [plaats] is om over te gaan op meeroosteren. Het team heeft in juni 2025 laten weten graag te willen stemmen voor meeroosteren. Uit de stemronde is gebleken dat 88% van de teamleden wil overstappen naar meeroosteren. Voor de werknemers brengt deze manier van roosteren meer flexibiliteit en daarmee een betere werk-privé balans met zich mee, omdat zij bij het meeroosteren meer invloed hebben op hun eigen roosters.
Duidelijk is dat aan het tweede vereiste (meer dan 66% heeft voor meeroosteren gestemd) dus is voldaan.
De wens van (88%) van de teamleden voor meeroosteren weegt zwaarder dan de zorgen over de capaciteit
Dat het hier zowel de wens van Rijkswaterstaat VWM is als van de overgrote meerderheid van de teamleden van [plaats] om over te gaan op meeroosteren, is een evident groot belang. Dit legt dus een groot gewicht in de schaal bij de belangenafweging. Hoewel het de Ondernemingsraad zijn goed recht is om bij de beoordeling van een instemmingsverzoek op te komen voor een (klein) deel van de betrokken werknemers en dat op zichzelf niet onredelijk te noemen is, zal de Ondernemingsraad daarom wel heel duidelijk moeten maken dat zijn belang bij niet invoering van het meeroosteren desondanks zwaarder weegt dan het belang en de wens van (88% van) het team. Dat heeft de Ondernemingsraad niet duidelijk kunnen maken.
Rijkswaterstaat VWM heeft uitgelegd dat meeroosteren zorgt voor een betere werk-privé balans voor de werknemers, omdat zij in dit roostersysteem meer en eerder invloed hebben op hun roosters. Een bevestiging daarvan is ook te vinden in de CAO Rijk (2024-2025) waarin (in paragraaf 27.5) staat dat het invoeren van meeroosteren bijdraagt aan gezonde roosters voor de werknemers die zijn afgestemd op hun werk-privébalans en dat invoering daarvan wordt gestimuleerd. Ook komt die bevestiging uit een door de Ondernemingsraad verricht onderzoek onder teams die al werken met meeroosteren. Hieruit komt naar voren dat 71,39% (gemiddelde van alle leeftijden) c.q. 75,58% (gemiddelde van alle regio’s) tevreden is over het meeroosteren en het merendeel daarvan tevreden is over de werk-privé-balans.
Het belang bij het weigeren van de instemming is kort gezegd gelegen in de zorgen van de Ondernemingsraad over de capaciteit binnen team [plaats] .
In dat kader heeft de Ondernemingsraad ook opgemerkt dat de teamleden onvoldoende inzicht hebben in de maandcijfers en daarom de risico’s van het meeroosteren niet kunnen overzien.
De maanden januari-maart 2026 laten een onderbezetting zien en dat maakt dat de Ondernemingsraad niet overtuigd is dat meeroosteren hier verantwoord is.
De Ondernemingsraad zegt dat een onderbezetting veel problematischer is bij meeroosteren dan bij normroosteren, omdat er bij normroosteren altijd een basisrooster ligt waar op terug gevallen kan worden. Hoewel het normroosteren daarmee inderdaad meer zekerheid lijkt te geven, heeft Rijkswaterstaat VWM ook uitgelegd dat bij het meeroosteren minder reservediensten nodig zijn, omdat veel korter van tevoren wordt geroosterd en meteen met de actuele situatie rekening kan worden gehouden. Dat betekent dat over het algemeen minder wijzigingen nodig zijn in het rooster, omdat al met een veel actuelere situatie rekening is gehouden dan bij normroosteren. Ook het gegeven dat in januari-maart naar verhouding relatief weinig verlof wordt opgenomen is van belang bij het beoordelen van de ondercapaciteit, omdat de problemen met de bezetting zich volgens de Ondernemingsraad (in elk geval ten tijde van de instemmingsaanvraag) in die periode voordoen. Verder staat vast dat Rijkswaterstaat VWM zich bij beide roostervormen moet houden aan de ATW en het systeem ook een beperkte hoeveelheid overuren toestaat. Daarnaast gebeurt het inplannen van overwerk op basis van vrijwilligheid en is inhuur van externen mogelijk. Als Rijkswaterstaat VWM in de praktijk niet voldoende doet om beheersmaatregelen te nemen zoals de Ondernemingsraad heeft gezegd, is het in voorkomende gevallen aan de Ondernemingsraad daarover in gesprek te gaan en blijven met Rijkswaterstaat VWM en haar aan te spreken op de daarover gemaakte afspraken.
Het argument van de Ondernemingsraad dat de teamleden zelf onvoldoende inzicht hebben op de onderbezetting en daaruit voortvloeiende roosterproblemen, maakt de conclusie niet anders. Rijkswaterstaat VWM heeft voldoende uitgelegd hoe zij met de onderbezetting in die maanden kan omgaan en daarin geen onoverkomelijke problemen verwacht, zoals hiervoor uiteen is gezet.
Tot slot weegt ook mee dat in de praktijk zich altijd fluctuaties in het personeelsbestand zullen voordoen en de situatie ten tijde van de instemmingsaanvraag dus ook slechts een momentopname betreft. Ook als op het moment van de instemmingsvraag de capaciteit op orde is, sluit dat niet uit dat in de toekomst vaker onderbezetting kan voorkomen.
Conclusie belangenafweging
Het belang van Rijkswaterstaat VWM dat het meeroosteren wordt ingevoerd weegt gelet op de wens van de overgrote meerderheid van team [plaats] zwaarder, dan de bedenkingen van de Ondernemingsraad over de capaciteit die niet iedere maand voldoet.
Gelet op de zwaarder wegende belangen van Rijkwaterstaat VWM is de beslissing van de Ondernemingsraad om niet in te stemmen met de overgang naar het meeroosteren binnen team [plaats] onredelijk geweest. Omdat de argumenten van Rijkswaterstaat VWM zwaarder wegen, wordt aan beoordeling van de door Rijkswaterstaat VWM nog benoemde zwaarwegende bedrijfsorganisatorische en/of bedrijfssociale redenen niet meer toegekomen.
Het verzoek van Rijkswaterstaat VWM om vervangende toestemming te verlenen om binnen team [plaats] over te gaan op meeroosteren zal daarom worden toegewezen. Daarbij geldt dat de datum van invoering afhankelijk is van hoe snel dit intern kan worden georganiseerd. Daarover heeft Rijkswaterstaat VWM tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat dit naar verwachting per 1 april 2026 zal zijn.
Proceskosten
Gelet op het bepaalde in artikel 22a WOR, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling aan de kant van de Ondernemingsraad.