OR-lidmaatschap staat los van ontslag
OR-lidmaatschap staat los van ontslag
Gegevens
- Nummer
- 2026/26
- Publicatiedatum
- 26 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Uitspraak
- Trefwoorden
- ontbindingsverzoek, opzegverbod, deskundigenoordeel, second opinion
Feiten
Een werkneemster van het UWV treedt in 2020 in dienst als handhavingsdeskundige. Kort daarna valt zij uit wegens ziekte na onder meer een beroerte (CVA). In 2021 hervat zij haar werkzaamheden volledig. Medio 2022 wordt zij lid van de onderdeelcommissie (OC) van de ondernemingsraad.
In de jaren daarna ontstaan meerdere conflicten tussen de werkneemster en verschillende leidinggevenden. Tot drie keer toe proberen partijen via mediation tot een oplossing te komen, maar zonder resultaat. Volgens het UWV is uiteindelijk sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Daarom verzoekt het UWV de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De werkneemster verweert zich fel. Volgens haar houdt het ontslag juist verband met haar OR-activiteiten en geldt daarom een opzegverbod. Daarnaast stelt zij dat zij nog arbeidsongeschikt was. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst toch per 1 augustus 2025 en kent alleen de transitievergoeding toe. De werkneemster gaat daarop in hoger beroep.
Beoordeling
Het gerechtshof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter. Volgens het hof is weliswaar sprake van een opzegverbod wegens het lidmaatschap van de onderdeelcommissie, maar houdt het ontbindingsverzoek daar geen verband mee.
Het hof overweegt dat het conflict wel escaleerde nadat werkneemster lid werd van de OC, maar dat daarmee nog niet vaststaat dat haar OR-lidmaatschap de oorzaak van het ontslag is. Volgens het hof ligt de kern van het probleem vooral in het diepgewortelde wantrouwen waarmee werkneemster het UWV en diens leidinggevenden tegemoet trad. Daardoor raakte de arbeidsrelatie duurzaam verstoord.
Ook het beroep op het opzegverbod tijdens ziekte slaagt niet. Het hof wijst erop dat de bedrijfsarts eerder had geoordeeld dat werkneemster haar eigen werkzaamheden weer volledig kon verrichten. Er was bovendien geen deskundigenoordeel of second opinion ingebracht waaruit het tegendeel bleek. Zelfs als er nog sprake zou zijn geweest van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, hield het ontbindingsverzoek volgens het hof geen verband met die ziekte.
Van ernstig verwijtbaar handelen door het UWV is volgens het hof evenmin sprake. Daarom bestaat geen recht op een billijke vergoeding of aanvullende schadevergoeding.
Commentaar
Deze uitspraak laat zien dat OR-leden weliswaar extra ontslagbescherming genieten, maar dat die bescherming niet absoluut is. Een werkgever mag een arbeidsovereenkomst met een OR-lid nog steeds beëindigen als voldoende duidelijk is dat het ontslag geen verband houdt met het medezeggenschapswerk.
Voor ondernemingsraden is vooral van belang dat rechters scherp kijken naar de feitelijke oorzaak van een conflict. Dat een arbeidsverhouding verslechtert ná toetreding tot de OR betekent nog niet automatisch dat het OR-lidmaatschap de reden voor ontslag is.
Tegelijkertijd bevestigt deze uitspraak het belang van het wettelijke opzegverbod voor OR-leden. Werkgevers zullen altijd goed moeten kunnen onderbouwen dat een ontbindingsverzoek losstaat van medezeggenschapsactiviteiten. Juist daarom blijft de bijzondere rechtspositie van OR-leden een belangrijk onderdeel van de bescherming van onafhankelijke medezeggenschap.
Gerechtshof Den Haag, 14-05-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:557
Peer van den Bouwhuijsen
Voor meer achtergrond: