“Overleg met OR had ministerie van Financiën 700 miljoen kunnen besparen”

09 november 2020

Als er met de medezeggenschap over was gesproken, en niet alleen met de vakbonden, was de vertrekregeling die in 2015 een uittocht op gang bracht bij de Belastingdienst er nooit gekomen. Dit zei OR-voorzitter Arne Benjamins op een zitting van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties.

Debacles

De Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisatie is door de Tweede Kamer ingesteld om te onderzoeken hoe het komt dat in de publiekrechtelijke sfeer beslissingen zo vaak niet of slecht uitvoerbaar blijken. De lijst van redelijk recente debacles is lang. Om pragmatische redenen concentreert de commissie zich op de Belastingdienst, het CBR en het UWV.

Benjamins is lid van de Groepsondernemingsraad van de Belastingdienst en voorzitter van de Departementale Ondernemingsraad van het ministerie van Financiën. De vertrekregeling die hij ter sprake bracht is in februari 2015 opgetuigd in het kader van een reorganisatie. Ze was zo riant dat ze onbedoeld een uittocht van 5000 ervaren ambtenaren op gang bracht; velen van hen zaten al dicht tegen hun pensioen aan. De kosten bedroegen € 700 miljoen.

Rug recht

Gevraagd naar recente berichten over een angstcultuur op het ministerie van Financiën zei Benjamins dat het lastig is om daar de vinger op te leggen. Wat voor hem telt, is of medewerkers hun rug recht kunnen houden als dat nodig is. Zorgen en vragen van de OR daarover zijn door de bestuurder niet altijd gehonoreerd.

Gevraagd naar de ‘haalbaarheidstoetsen’ die juist moeten voorkomen dat er bij de uitvoering van politieke besluiten problemen gaan optreden, zei de DOR-voorzitter dat daarbij tot nu toe niet naar medewerkers is geluisterd. Meer in het algemeen pleitte hij nadrukkelijk voor het tijdig inschakelen van de medezeggenschap, zodat die nog in de gelegenheid is om zinvolle bijdragen aan besluitvorming te leveren. In dat kader maakte hij zijn opmerking over de vertrekregeling. De commissie vroeg er niet op door.

“Fabriek”

Bas van den Dungen, sinds 20 december de hoogste ambtelijke baas van het ministerie, zei dat beleid en uitvoering niet met elkaar in balans zijn. “Anders zouden we hier niet zitten.” Hij sprak van een neiging om pas laat na te denken over de uitvoering, en over de vraag voor wie het beleid eigenlijk bedoeld is.

Hij legde de bal ook bij de politiek: die moet niet alles willen dichtregelen en meer ruimte laten voor het vakmanschap van uitvoerenden. De huidige uitvoeringsorganisatie omschreef hij als een fabriek. “Zelf kom ik uit de zorg. Daar is ook veel geprotocolleerd, maar medewerkers mogen er van protocollen afwijken wanneer ze dat als professional nodig vinden.” Benjamins viel Van den Dungen daarin bij. Volgens de OR-voorzitter kunnen ook medewerkers, mits ze enige ruimte krijgen, de bewakers zijn van de “menselijke maat”. Veel critici vinden dat die menselijke maat op dit moment zoek is. Commissieleden stelden daar ook vragen over.

OR met 3-0 achter

Benjamins werd ook gevraagd naar de recente beslissing om de Belastingdienst in drie stukken op te delen. Dat besluit is genomen naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagaffaire (een affaire die zelf weer voorwerp is van ander onderzoek en daarom niet in detail ter discussie stond). Benjamins wees erop dat een dergelijke beslissing, net als de vervanging van een topambtenaar, wordt genomen onder druk van ophef en van bewindslieden die graag willen ingrijpen. “De analyse op grond waarvan die opsplitsing werd doorgevoerd, was nog niet af toen het besluit viel. Als OR kun je dan niet veel. Of dit de oplossing is, moet nog blijken. Structuurveranderingen zijn dat volgens mij zelden. Maar als medezeggenschap sta je sowieso al met 3-0 achter als de minister zo'n besluit neemt.”

“Relaxtere omgang”

Op de vraag wat er moet veranderen, noemde Benjamins een aantal zaken die in deze nieuwsbrief al vaker zijn opgemerkt door anderen. Beter en vaker naar medewerkers luisteren. Bewust tegenspraak organiseren, niet bang zijn om dingen aan de medezeggenschap voor te leggen. Zorgen dat niet alles al aan de top is voorgekookt voordat medewerkers aan de uitvoering mogen beginnen.

Zowel Van den Dungen als Benjamins vonden dat er “relaxter” kan worden omgegaan met contacten tussen politieke leiding en uitvoerende ambtenaren.

Primaat van de politiek

Bewindslieden vinden zulke contacten riskant, omdat ze bang zijn dat alles wat uitvoerende ambtenaren tegen ze zeggen kan leiden tot kritische vragen vanuit de Tweede Kamer. Wat dit betreft kan het pleidooi voor meer “relaxtheid” in de onderlinge omgang ook van belang zijn in discussies over het primaat van de politiek ( art. 46d WOR, onder a en b scales ). De nu geldende uitleg van dat principe is het tegendeel van relaxt. Die is zo strak dat het adviesrecht van ondernemingsraden bij overheden en publiekrechtelijke instellingen veel minder inhoud heeft dan bij particuliere bedrijven.

Redactie Inzicht 9-11-2020