comment Commentaar op art. 1 Wet op de ondernemingsraden

comment Commentaar

Artikel 1

1.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

  1. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  2. Raad: De Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de Wet op de Sociaal-Economische Raad scales ;

  3. onderneming: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht;

  4. ondernemer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een onderneming in stand houdt;

  5. bestuurder: hij die alleen dan wel te zamen met anderen in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid;

  6. bedrijfscommissie: de bevoegde bedrijfscommissie, bedoeld in de artikelen 37 scales en 46 scales .

2.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen verstaan: degenen die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de ondernemer die de onderneming in stand houdt. Personen die in meer dan één onderneming van dezelfde ondernemer werkzaam zijn, worden geacht uitsluitend werkzaam te zijn in die onderneming van waaruit hun werkzaamheden worden geleid.

3.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen mede verstaan:

  1. degenen die in het kader van werkzaamheden van de onderneming daarin ten minste 24 maanden werkzaam zijn krachtens een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek scales , en

  2. degenen die krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens arbeidsovereenkomst met de ondernemer werkzaam zijn in een door een andere ondernemer in stand gehouden onderneming.

4.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden de bestuurder of de bestuurders van een onderneming geacht niet te behoren tot de in de onderneming werkzame personen.



A: Inleiding

Artikel 1 WOR scales geeft een overzicht van de in de wet gebruikte begrippen. Deze terminologie is afwijkend van het begrippenkader gehanteerd in het ondernemingsrecht en in het rechtspersonenrecht als vastgelegd in Boek 2 BW scales . Dit commentaar is beperkt tot de voor de ondernemingsrechtelijke praktijk belangrijkste definities, noodzakelijk voor een goede interpretatie van de in de WOR neergelegde medezeggenschapsrechten: onderneming, ondernemer en bestuurder. Geen aandacht wordt besteed aan de WOR in de publieke sector.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij Artikel 1.

C: Kernproblematiek

C.1: Definities: onderneming, ondernemer, bestuurder

C.1.1: Onderneming

In de WOR staat het begrip ‘onderneming’ centraal; indien een onderneming een bepaalde omvang heeft (zie artikel 2 WOR scales ) moet een ondernemingsraad worden ingesteld. Deze ondernemingsraad oefent medezeggenschapsrechten uit ten aanzien van aangelegenheden die de onderneming betreffen. De WOR heeft territoriale werking, zodat slechts in Nederland gevestigde ondernemingen onder de werking van de wet vallen. Een onderneming (artikel 1 lid 1 sub c) is gedefinieerd als een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst (of publiekrechtelijke aanstelling) arbeid wordt verricht. De definitie bevat drie kernelementen: organisatorisch verband, zelfstandige eenheid en arbeidsovereenkomst. In afwijking van het spraakgebruik is niet noodzakelijk dat de organisatie een winstdoel heeft. Van een organisatorisch verband is sprake als een groep mensen samenwerkt, terwijl aan die samenwerking een structuur en veelal ook een hiërarchie ten grondslag ligt. In Ktr. Groningen 28 mei 2004, «JAR» 2004/197, ECLI:NL:RBGRO:2004:AQ8813, werd geoordeeld dat het noodzakelijk is dat een groep personen onder een bepaalde leiding en op een bepaalde locatie samenwerkt; omdat er in het desbetreffende geval geen eigen management was, was er ook geen sprake van een onderneming. Hiernaast moet het samenwerkingsverband als zelfstandige eenheid naar buiten toe optreden; hiervoor is niet vereist dat de organisatie juridisch zelfstandig is: in de systematiek van de WOR wordt een onderneming in stand gehouden door een ondernemer veelal rechtspersoon, zie hierna. Zie voor een geval waarin een onderneming na overgang van onderneming (ten gevolge van fusie) is blijven bestaan: Vzngr. Rechtbank Leeuwarden 14 oktober 2009, «JAR» 2009/281, «JOR» 2009/316 (m.nt. Holtzer), RON 2010, 5, ECLI:NL:RBLEE:2009:BK0226. Het is mogelijk dat onder een eigen naam wordt opgetreden, maar aan het vereiste van zelfstandigheid is ook voldaan als het organisatorisch verband zelf contracten met derden aangaat, of als zelfstandig goederen en diensten aan derden aangeboden worden. Ten slotte is vereist dat er krachtens arbeidsovereenkomst (of publiekrechtelijke aanstelling) arbeid wordt verricht. Karakteristiek aan een arbeidsovereenkomst ( artikel 7:610 BW scales ) is met name, dat er sprake is van: een persoonlijke verplichting van de werknemer de arbeid te verrichten, een gezagsverhouding, en een verplichting van de werkgever tot loonbetaling. Het vereiste van een arbeidsovereenkomst impliceert dat organisaties waarin arbeid wordt verricht op basis van gelijkwaardigheid, zonder het bestaan van enige gezagsverhouding, niet als onderneming in de zin van de WOR kwalificeren. Samenvattend: in de WOR wordt een arbeidsorganisatorisch ondernemingsbegrip gehanteerd dat afwijkt van dat wat in het spraakgebruik onder een onderneming wordt verstaan; een winststreven is niet noodzakelijk en ook hoeft de onderneming niet in een afzonderlijke rechtsvorm georganiseerd te zijn. Als voorbeelden van ondernemingen kunnen worden genoemd: een filiaal van een supermarkt, een postkantoor of een bejaardentehuis.

C.1.2: Ondernemer

Als ondernemer wordt de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de onderneming, de arbeidsorganisatie, in stand houdt, aangemerkt (artikel 1 lid 1 sub d). De ondernemer verschaft de middelen om de onderneming te laten functioneren. Deze ondernemer kan een natuurlijk persoon zijn (bijvoorbeeld in het geval van een eenmanszaak) maar ook een rechtspersoon. De werking van de WOR is gecentreerd op een in Nederland gevestigde onderneming; de ondernemer die haar in stand houdt, kan heel goed een buitenlandse rechtspersoon zijn. Een ondernemer kan verschillende ondernemingen in stand houden; in principe heeft iedere onderneming één ondernemer. Een strikte toepassing van deze regel zou tot uitkomsten kunnen leiden die niet in overeenstemming zijn met ratio van de wet: in de rechtspraak (allereerst in HR 26 januari 1994, «JAR» 1994/32 page , ECLI:NL:HR:1994:AG0713 (Heuga)) is daarom in specifieke gevallen voor een juiste toepassing van de wet aangenomen dat een onderneming door meer dan één ondernemer in stand wordt gehouden of dat een andere rechtspersoon als ‘mede-ondernemer’1 aangemerkt moet worden (zie Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, artikel 25 WOR).

C.1.3: Bestuurder

Bestuurder is de natuurlijke persoon die (alleen dan wel samen met anderen) in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid (artikel 1 lid 1 sub e). De bestuurder is dus bij de dagelijkse leiding van de arbeid, de hoogste in hiërarchie. De bestuurder vertegenwoordigt de ondernemer in de contacten met de ondernemingsraad en is dus de feitelijke gesprekspartner van de ondernemingsraad. Als de ondernemer een natuurlijk persoon is, kan hij tevens bestuurder zijn: noodzakelijk is dat niet. Het is goed denkbaar dat hij een bedrijfsleider heeft aangesteld die belast is met de dagelijkse leiding van de onderneming zodat hij feitelijk de hoogste zeggenschap heeft over de leiding van de arbeid.

Indien de ondernemer een rechtspersoon is, zullen de statutaire bestuurders van deze rechtspersoon veelal als bestuurders in de zin van de WOR worden aangemerkt, zodat de beide bestuursbegrippen feitelijk samenvallen. Is de organisatie groter en hebben de bestuurders hun taken verdeeld of is er sprake van een concernverhouding, dan is het zeer wel denkbaar dat een statutaire bestuurder niet tevens bestuurder van de onderneming is. Dit heeft gevolgen voor toepassing van het adviesrecht van de ondernemingsraad bij de benoeming van een bestuurder (in de zin van de WOR) ex artikel 30 WOR scales . De rechter toetst overigens zelfstandig of iemand bestuurder in de zin van de WOR is en kan daarbij een binnen de onderneming gehanteerde taakverdeling buiten beschouwing laten (Zie OK 19 juni 2010, JOR 2010/268, Media Groep Limburg)

C.2: In de onderneming werkzame personen

Medezeggenschapsrechten op grond van de WOR komen toe aan ‘in de onderneming werkzame personen’. Artikel 1 lid 2 bepaalt wie dat zijn; het betreft degenen werkzaam op grond van een arbeidsovereenkomst (of publiekrechtelijke aanstelling) met de ondernemer die de onderneming in stand houdt. Niet van belang is of er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd; ook is niet relevant of in deeltijd wordt gewerkt. Sommige werknemers zijn in meerdere ondernemingen die door de ondernemer in stand worden gehouden, werkzaam. Voor die situatie is bepaald dat zij geacht worden uitsluitend werkzaam te zijn in de onderneming van waaruit hun werkzaamheden geleid worden. In concernverhoudingen is het goed denkbaar dat een werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met een andere groepsvennootschap; een dergelijke werknemer is geen ingeleende werknemer (artikel 1 lid 3). Artikel 6 lid 4 WOR scales maakt het mogelijk om de kring van in de onderneming werkzame personen uit te breiden; via aan dergelijke regeling kan bewerkstelligd worden dat in een concern de werknemers meetellen in de onderneming waarin zij feitelijk werkzaam zijn.

Op grond van artikel 1 lid 4 telt een bestuurder van de onderneming niet mee bij het bepalen van het aantal in de onderneming werkzame personen. Gedacht kan hierbij worden aan het geval dat een statutaire bestuurder tevens een arbeidsovereenkomst heeft met de ondernemer.

C.3: Ingeleende en uitgeleende werknemers

Indien werknemers op grond van een uitzendovereenkomst ( artikel 7:690 BW scales ) minimaal 24 maanden in de onderneming werkzaam zijn, tellen zij mee als in de onderneming werkzame personen in de onderneming waar zij hun werkzaamheden feitelijk verrichten, dus bij de inlenende onderneming ( art. 1 lid 3 onderdeel a WOR scales ). Vereist is wel dat zij hun werkzaamheden hebben verricht ‘in het kader van de werkzaamheden van de onderneming’. Wanneer geen sprake is van een uitzendovereenkomst (of een arbeidsovereenkomst), valt ingeleend personeel niet onder de uitbreiding van artikel 1 lid 3 scales . Dit betekent bijvoorbeeld dat zelfstandigen zonder personeel geen actief- en passief kiesrecht hebben, ook niet indien zij 24 maanden in de onderneming werkzaam zijn. Bij reglement kan de werkingssfeer van de WOR wel worden uit gebreid (zie art. 6 lid 4 ESH). Er moet dan wel overeenstemming zijn tussen ondernemer en OR en het moet bevorderlijk zijn voor de goede toepassing van de WOR. In de zaak Royaal ICH oordeelde het hof Den Haag dat een uitbreiding van het kiesrecht ten aanzien van al het ingeleende personeel dat ten minste 24 maanden in de onderneming werkzaam is, niet bevorderlijk is voor de goede toepassing van de WOR (Gerechtshof Den Haag 24 juli 2018, JAR 2018/222). Volgens het hof was slechts sprake van een beperkt aantal werkenden (79 van de 2200).

Uitgeleende werknemers tellen mee in de onderneming waar ze hun arbeidsovereenkomst hebben, ondanks het feit dat ze daar niet feitelijk werkzaam zijn, vergelijk artikel 1 lid 3 onderdeel b WOR scales . Voor toepassing van de WOR kunnen uitzendkrachten dus zowel meetellen bij de uitlenende onderneming op grond van artikel 1 lid 3 onderdeel b als bij de inlenende onderneming op grond van artikel 1 lid 3 onderdeel a. (Zou dat onwenselijk geacht worden, biedt artikel 6 lid 4 WOR scales de mogelijkheid om de kring van in de onderneming werkzame personen te beperken.)

1
HR 26 januari 2000, NJ 2000, 223 (m.nt. Ma), «JAR» 2000/30 page , «JB» 2000/46 (m.nt. Geers), «JOR» 2000/55, ECLI:NL:HR:2000:AA4735 (Provincie Zuid-Holland).

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

F: Literatuurverwijzing

  • Kaar, R.H. van het (red.), Ondernemingsraad (losbl.), Deventer: Kluwer.
  • Verburg, L.G. van der, Rood’s Wet op de ondernemingsraden, Deventer: Kluwer 2013.
  • Vink, F.W.H. en R.H. van het Kaar, Inzicht in de ondernemingsraad. Een toelichting bij de Wet op de ondernemingsraden, Den Haag: Sdu Uitgevers 2015.