Hoge Raad: besluit om afwijken van pauzeregeling niet langer toe te staan, behoeft geen instemming OR

12 maart 2019

Jurisprudentie - De Hoge Raad sluit zich aan bij de conclusie A-G en verwerpt het beroep in cassatie. De OR had betoogd dat het besluit van de gemeente om het afwijken van de regeling voor pauzeregistratie niet langer toe te staan, instemmingsplichtig was, maar dat is volgens A-G en Hoge Raad niet het geval. De conclusie van de A-G gaat ook in op de procesbevoegdheid van de OR.

Feiten

Per 1 januari 2008 is bij de gemeente Landgraaf met instemming van de OR de werktijdenregeling gewijzigd. In de nieuwe werktijdenregeling is een fictieve pauze van 30 minuten opgenomen die in feite een 'strafkorting' is als er niet of te kort gepauzeerd wordt. De regeling is in de praktijk echter nooit uitgevoerd. Door het kloksysteem is steeds de daadwerkelijke pauzetijd geregistreerd. De gemeente heeft medio 2008 aan de OR voorgesteld om de werktijdenregeling zo aan te passen dat, als de ambtenaar zijn pauze niet registreert, een fictieve pauze van 30 minuten wordt geregistreerd, en dat in de overige gevallen de feitelijke pauzetijd wordt geregistreerd. De OR heeft met dit voorstel ingestemd, maar tot een formeel besluit van de gemeente is het niet gekomen. Op 20 december 2016 heeft de gemeente een bericht op het intranet geplaatst, inhoudende dat vanaf 1 januari 2017 de pauzes weer berekend zullen worden zoals in de werktijdenregeling 2008 is vastgelegd.

De OR stelt dat dit een instemmingsplichtig besluit is.

Kantonrechter en hof

De kantonrechter en het hof oordelen dat dit niet het geval is en dat er slechts sprake is van een wijziging van de bestaande praktijk.

Conclusie A-G

In cassatie sluit de A-G zich bij het oordeel van het hof aan. De A-G overweegt dat het hof heeft vastgesteld dat medio 2008 slechts sprake is geweest van een voorgenomen besluit tot aanpassing van de werktijdenregeling, dat in 2009 en 2011 door de gemeente uitdrukkelijk is bevestigd dat de werktijdenregeling niet gewijzigd was en dat de OR in 2009 en 2011 kansen heeft gehad om de door hem bepleite werktijdenregeling (alsnog) geformaliseerd te krijgen, maar deze kansen niet heeft benut. Van een besluit in de zin van artikel 27 lid 1 aanhef en sub b WOR is daarom geen sprake. De A-G acht de OR wel ontvankelijk in zijn beroep ondanks het feit dat in het verzoekschrift in cassatie niet staat dat de OR wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter, maar dat alleen de OR als procespartij staat vermeld. Het is volstrekt helder wat bedoeld is en de gemeente is in geen enkel belang geschaad door het ontbreken van de verwijzing naar de voorzitter.

Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie van de OR op grond van art. 81 lid 1 RO.

Hoge Raad 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:314 (datum publicatie: 8 maart 2019)

Opmerking achteraf

Ook een feitelijk handelen kan een besluit zijn in de zin van artikel 27 lid 1 WOR, zo blijkt onder meer uit Hof ’s-Hertogenbosch, JAR 2016/302 m.nt. De Laat (inzet mystery guests). Het beëindigen van een tijdelijke gedoogsituatie die geen wijziging heeft gebracht in de geldende regeling, wordt echter niet (steeds) als besluit gezien. Vgl. JAR 2013/163 m.nt. Zaal, waarin het op eenduidige wijze gaan toepassen van een functiewaarderingssysteem dat eerder bij verschillende stadsdelen op uiteenlopende wijze was toegepast, niet als een besluit werd gezien.

Redactie Inzicht, 12-03-2019