Toezegging over indexatie pensioen moet worden nagekomen

09 september 2019

JURISPRUDENTIE - De Amsterdamse rechtbank oordeelt op 26 juli 2019 dat de toezegging van de werkgever aan werknemer X over indexatie van het pensioen moet worden nagekomen. Het onderscheid dat de werkgever maakt tussen de twee verschillende polissen (van voor en na de overdracht naar de nieuwe verzekeraar) is niet terecht. Dat X destijds lid was van de ondernemingsraad is niet relevant.

X is op 1 juli 1973 in dienst getreden bij CWT. Met ingang van 1 februari 1976 is hij deelnemer geworden aan de pensioenregeling van CWT, op dat moment ondergebracht bij Nationale Nederlanden (NN). Met ingang van 1 januari 2007 heeft CWT het pensioen ondergebracht bij Zwitserleven. Op dat moment gold voor de opgebouwde pensioenaanspraken dat deze werden geïndexeerd, indien en voorzover de middelen dit toelieten. Op 10 augustus 2007 stuurde CWT aan X een brief. Kern daarvan is: zoals eerder medegedeeld, is vanaf 1 januari 2007 de pensioenregeling van Carlson Wagonlit Travel ondergebracht bij Zwitserleven in plaats van bij Nationale Nederlanden. De keuze voor deze wijziging is ingegeven door de betere verzekeringsvoorwaarden van Zwitserleven. Bovendien is de verwachting dat bij Zwitserleven de kans op indexatie van de pensioenaanspraken groter is. Overdracht naar ZwitserLeven heeft geen gevolgen voor uw opgebouwde pensioen in de besloten vennootschap Carlson Wagonlit Nederland met uitzondering van de kans op indexatie van uw pensioen. De verwachting is dat door de gunstigere verzekeringsvoorwaarden bij Zwitserleven, de kans op indexatie groter is dan bij Nationale Nederlanden het geval was.

Door de ontwikkelingen bij de pensioenfondsen, vooral na de crisis, is er niet of nauwelijks meer geïndexeerd. X eist dat de indexatie alsnog plaatsvindt. X acht het onderscheid dat CWT tussen de polissen voor en na de overdracht maakt onrechtmatig.

Kantonrechter

Naar het oordeel van de kantonrechter is de brief van CWT van 10 augustus 2007 maar op één manier uit te leggen. In die brief staat dat er niets verandert aan het pensioen van [eiser] , behalve dat het bij een andere verzekeraar wordt ondergebracht met een grotere kans op indexering. Met die toezegging is onverenigbaar dat de op dat moment opgebouwde pensioenaanspraken nadien helemaal niet meer geïndexeerd hoeven worden, zoals CWT bepleit. Vanaf 1 januari 2007 had X dus recht op indexering van zowel het overgedragen pensioen als het nadien op te bouwen pensioen overeenkomstig de pensioenregeling bij Zwitserleven. De indexeringstoezegging van in totaal 6 % geldt daarom voor het gehele pensioen. Ook uit correspondentie van de ondernemingsraad – waar X lid van was – blijkt onvoldoende dat bij NN opgebouwd pensioen zou worden uitgezonderd van deze indexeringstoezegging. De kantonrechter oordeelt dat de pensioenaanspraken van X in stand zijn gebleven en veroordeelt CWT in de proceskosten.

Commentaar

Pensioenen staan hoog op de politieke agenda, en niet zelden ook op de agenda van ondernemingsraden. In deze zaak werd de werkgever gehouden aan de afspraken over indexatie. Het argument van de werkgever dat X in zijn hoedanigheid van OR-lid op de hoogte had moeten zijn van de verandering wordt terecht als irrelevant terzijde geschoven.

De rechten van de ondernemingsraad ten aanzien van pensioenen zijn bij de meest recente wetswijziging aanzienlijk versterkt. Per 1 januari 2019 zijn ook de rechten van de personeelsvertegenwoordiging en de personeelsvergadering uitgebreid.

Een belangrijk onderdeel van die uitbreiding is dat de medezeggenschap niet alleen rechten heeft ten aanzien van de materiële afspraken tussen werkgever en werknemer, maar ook ten aanzien van de afspraken die de werkgever maakt met de pensioenuitvoerder (zoals een pensioenfonds, of een verzekeraar).

Kantonrechter Amsterdam 26 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5520

Robbert van het Kaar