UvA mag online surveillancesoftware inzetten

23 juni 2020

De UvA mag online surveillancesoftware inzetten bij het afnemen van tentamens. Studentenraden en een student hadden hierop een verbod gevorderd, maar verliezen vervolgens een kort geding. De voorzieningenrechter oordeelt namelijk dat voorshands voldoende aannemelijk is dat er bij online proctoring gedurende de periode dat als gevolg van de coronacrisis geen tentamens op de campus kunnen plaatsvinden, sprake is van een noodzakelijke gegevensverwerking in de zin van artikel 6 lid 1 sub e AVG.

Feiten

In verband met de coronacrisis moeten studenten aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) vanuit huis online tentamens afleggen. Hiertoe heeft de UvA online surveillancesoftware (proctoring) ingezet. Twee studentenraden en een student maken hier – tevergeefs – bezwaar tegen. Daarop spannen zij een kort geding aan. Zij stellen dat de UvA hiermee een onrechtmatige inbreuk op de privacy maakt. De UvA is van mening dat de eisers niet ontvankelijk verklaard moeten worden.

De voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter oordeelt dat de studentenraden en de student ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat voor hen geen met voldoende waarborgen omklede andere rechtsgang open staat, waarmee een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan worden verkregen. Verder hebben de studentenraden geen instemmingsrecht op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het door de UvA genomen besluit, wanneer het gaat om regels rond surveilleren. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de ‘Regels en Richtlijnen van de examencommissie’ waarin de wijze van surveillance is geregeld. De inhoud van deze Regels en Richtlijnen behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de examencommissie en hierover geldt geen advies- of instemmingsrecht.

De voorzieningenrechter oordeelt verder dat de UvA heeft voldaan aan alle regels en beginselen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De grondslag voor de gegevensverwerking ligt in artikel 6 lid 1 sub e AVG. De UvA heeft een in de wet geregelde publieke taak en in verband met Covid-19 is er noodzaak om online proctoring in te zetten bij het afnemen van tentamens die vanuit huis worden gemaakt. Van een onrechtmatige inbreuk op de privacy is dan ook geen sprake.

Commentaar

Er is niet gebleken dat de UvA bij het nemen van het besluit tot inzet van online proctoring in strijd heeft gehandeld met de medezeggenschapsrechten van (een van) de studentenraden. De UvA is op een zorgvuldige manier te werk gegaan. Ze voldeed ook met de manier waarop ze de verzamelde gegevens is omgegaan aan de regels en waarborgen van de AVG. Er is sprake van een overeenkomst tussen de UVA en het bedrijf dat de software levert. Hierdoor is ook dat bedrijf aan de AVG gebonden. Verder speelt mee dat de studenten niet live worden gevolgd; de surveillant heeft namelijk pas toegang tot de gegevens als de computer significant afwijkend gedrag vaststelt. En, niet onbelangrijk, de gegevens worden versleuteld opgeslagen en na dertig dagen vernietigd.

Redactie Inzicht 25-06-2020

Pauline Maarsen