Ieder van Onze Ministers is, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten:
in of aan een goed, dan wel in de toestand waarin of de plaats waar het zich bevindt, of in de wijze waarop het wordt gebruikt, zonder door of vanwege die Minister verleende vergunning geen veranderingen of geen, bij het bevel omschreven veranderingen aan te brengen noch toe te laten, dat dit door anderen geschiedt;
in of aan een goed, dan wel in de toestand waarin of de plaats waar het zich bevindt, of in de wijze waarop het wordt gebruikt, de bij het bevel omschreven veranderingen aan te brengen of toe te laten, dat zulks door of vanwege die Minister geschiedt;
een goed niet te verbruiken of te verwerken zonder een door of vanwege die Minister verleende vergunning;
zorg te dragen voor een doeltreffend onderhoud van een goed.