Home

Hoge Raad, 08-11-1991, ZC0409 AG6629, rek.nr. 7877

Hoge Raad, 08-11-1991, ZC0409 AG6629, rek.nr. 7877

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 november 1991
Datum publicatie
1 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:HR:1991:ZC0409
Formele relaties
Zaaknummer
rek.nr. 7877
Relevante informatie
67 AWR

Inhoudsindicatie

Voorlopig getuigenverhoor. Komt aan ambtenaar belastingdienst in verband met diens geheimhoudingsplicht ex art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen een verschoningsrecht ex art. 191 lid 2 (oud) Rv (thans art. 165 lid 2 Rv) toe? Omvang verschoningsrecht.

Uitspraak

Hof

2. De grief

De grief houdt in, dat de rechter-commissaris op grond van onjuiste overwegingen ten onrechte het beroep van verweerder op een verschoningsrecht ten aanzien van de tweede in de beschikking vermelde vraag gegrond heeft geoordeeld.

(…)

4. Beoordeling van het beroep

4.1. Zoals de rechter-commissaris heeft vastgesteld, is verweerder als hoofd van de afd. waardeonderzoek werkzaam bij de inspectie registratie en successies te Rotterdam. Zijn voorganger, de inspecteur Van Meggelen, heeft indertijd in het kader van art. 11 Wet op Belastingen Rechtsverkeer een onderzoek ingesteld naar de waarde van het door appellante, toen nog niet in liquidatie, in december 1982 aan Hein van Elderen Holding BV te Nieuw Vennep verkochte onroerend goed, waarna aan die koopster een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting is opgelegd, welke ingevolge de koopovereenkomst voor rekening van appellante is gekomen.

4.2. Appellante wenst verweerder als getuige te horen op de vraag: Wat was de aard en inhoud van de contacten tussen de inspecteur (de heer Van Meggelen) en partijen (waarmee zijn bedoeld koopster en verkoopster)?

4.3. Te dezen staat vast dat op verweerder als inspecteur der rijksbelastingen van toepassing is art. 67 lid 1 AWR, luidende:

Het is een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing van de invordering van enige rijksbelasting.

4.4. Ingevolge dit artikel heeft verweerder een geheimhoudingsplicht tegenover appellante ten aanzien van hetgeen hem bekend is omtrent de eventuele contacten tussen zijn voorganger, de inspecteur Van Meggelen, en een ander, in dit geval de koopster van het onroerend goed.

4.5. Dit wordt niet anders indien, zoals appellante stelt, de aan koopster opgelegde naheffingsaanslag ingevolge de verkoopvoorwaarden te haren laste is gekomen.

4.6. Aan verweerder komt derhalve ten aanzien van die contacten met de koopster een verschoningsrecht toe op grond van art. 191 lid 2 Rv.

4.7. Anders staat het met de eventuele contacten tussen de belastingdienst en appellante zelf. Appellante, de vennootschap in liquidatie, dient te dezen te worden vereenzelvigd met de vennootschap voor de liquidatie. Wetenschap omtrent die contacten betreft in dit geval niet de 'persoon of zaken van een ander' en evenmin valt een verklaring daaromtrent onder het begrip 'bekendmaken'. Die wetenschap betreft zaken van de vennootschap zelf waarmee zij geacht moet worden reeds bekend te zijn althans te moeten zijn. Het is daarbij niet van belang of de huidige vereffenaars zelf van de desbetreffende feiten op de hoogte zijn of niet. In beide gevallen staat de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR niet in de weg aan het leveren van bewijs van die eventuele contacten en van de inhoud daarvan, door middel van het verzochte getuigenverhoor.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de rechter-commissaris het beroep op verschoningsrecht van verweerder met betrekking tot de tweede vraag ten onrechte geheel gegrond heeft verklaard, zodat de grief ten dele slaagt en de beslissing als volgt moet luiden. (enz.)

Cassatiemiddel:

Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen wegens de navolgende, in de onderdelen van dit cassatiemiddel uiteengezette en voor zoveel nodig in onderling verband te beoordelen, redenen, doordat het hof op de in zijn beschikking gebezigde gronden het ter zitting van 6 april 1990 door Verschueren als getuige gedane beroep op zijn geheimhoudingsplicht en zijn verschoningsrecht met betrekking tot de aan hem gestelde vraag:

Wat was de aard en inhoud van de contacten tussen de inspecteur (de heer Van Meggelen) en partijen?

ongegrond heeft verklaard voor zover het betreft contacten met Gebr. Kloosterboer zelf, haar vennoten en haar personeel daaronder begrepen.

a. Bij de beantwoording van de vraag of de getuige Verschueren een geheimhoudingsplicht ex art. 67 lid 1 AWR heeft, is het hof van een onjuiste rechtsopvatting inzake die bepaling - reppend van: 'de persoon of de zaken van een ander' en van: 'bekend te maken' (cursiveringen door steller dezes) - uitgegaan. Het hof heeft miskend:

1. hetzij dat de woorden 'een ander' betekenen: ieder ander dan degene tot wie het verbod zich richt,

2. hetzij dat die woorden - al dan niet mede - betekenen: ieder ander dan de belastingplichtige zelf of degene die in diens opdracht handelt, en dat art. 67 lid 1 voornoemd slechts op die gegevens betrekking heeft die uitsluitend de persoon of de zaken van de belastingplichtige zelf betreffen;

3. alsmede dat het afleggen van een verklaring omtrent de door het hof bedoelde 'contacten' valt onder het begrip 'bekendmaken' in de zin van art. 67 lid 1.

- Aldus heeft het hof, in strijd met het recht, het beroep op de geheimhoudingsplicht met betrekking tot 'de (eventuele) contacten met de firma zelf, haar vennoten en haar personeel daaronder begrepen', ongegrond verklaard zonder te hebben vastgesteld dat zich te dezen een geval als bedoeld onder 1 en/of onder 2 van dit onderdeel voordeed.

- Subs. heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtengang bij zijn beslissing dat op de getuige Verschueren te dezen geen geheimhoudingsplicht ex art. 67 lid 1 AWR rust, en aldus zijn beschikking niet naar behoren gemotiveerd.

b. Het hof heeft miskend dat het bestaan van een geheimhoudingsplicht ex art. 67 lid 1 AWR (dat voor het onderhavige geval moet worden aangenomen op de in onderdeel c aangegeven gronden) eo ipso meebrengt dat er in dit geval een verschoningsrecht ex art. 191 lid 2 Rv bestaat.

c. Het hof heeft miskend dat, indien het bestaan van een geheimhoudingsplicht ex art. 67 lid 1 AWR niet eo ipso een verschoningsrecht ex art. 191 lid 2 Rv meebrengt en er voor de beoordeling van het beroep op een verschoningsrecht nog een belangenafweging noodzakelijk is, de uitkomst van die afweging niet anders kan zijn dan toekenning van een verschoningsrecht.

d. Althans heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtengang over de vragen:

- of het bestaan van een geheimhoudingsplicht ex art. 67 lid 1 AWR eo ipso een verschoningsrecht ex art. 191 lid 2 Rv meebrengt; en

- welke belangen, indien de hier onder (i) geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord en een belangenafweging dient plaats te hebben, in die afweging moeten worden betrokken en op grond waarvan de uitkomst van bedoelde afweging is dat aan Verschueren te dezen geen verschoningsrecht toekomt;

- zodat 's hofs beschikking in zoverre niet naar behoren is gemotiveerd. (enz.)